Kanovereniging Uitgeest Kanovereniging Uitgeest       Neem de tijd pak de kano

Hazenlippen en vlokreeftjes

Artikelindex

Henk; November 13, 2007

Hazenlippen en vlokreeftjes

Wat moet ik je vertellen over een reis die (bijna) volmaakt is verlopen? Ik zou een soort chronologisch verslag kunnen schrijven, zoals we dat vroeger deden in het verplichte opstel dat we de dag na het schoolreisje moesten produceren, zodat de meester even tot rust kon komen. Maar daar zit jij vast niet op te wachten.
Toch hebben mijn metgezellen bepaald dat ik iets moet schrijven, omdat ik nu eenmaal de grootste blunder van de tocht heb gemaakt, maar daar kom ik nog op…..
We zijn in de eerste week van september met z’n vijven naar Bretagne geweest en het was er echt paradijselijk. Alleen de eerste ochtend hadden we wat brume, wat een soort mist is, of heel fijne motregen, maar daarna was het alleen zeer zonnig en de wind bleef uit het noordoosten staan zonder boven drie of een enkele keer vier uit te komen.
Stel je dus voor: een vrijwel gladde Atlantische oceaan, helder water dat bijna onnatuurlijk blauw oplicht onder de vrijwel wolkenloze hemel, prachtige klifkusten en knusse strandjes. Vier mannen en één vrouw in zeekano’s, ontspannen peddelend met geen andere zorg dan: wat eten we vanavond en waar slaan we ons kamp op.
Ja, ik ben het met je eens: het belooft een saai verhaal te worden.

Zeelip
Op het strand bij de Camping Municipal van Port Navalo, Zuid Bretagne, deed Annet een belangwekkende ontdekking. In het heldere water ‘dreef´ iets wat op het eerste gezicht leek op een lapje wier. Tot zij opmerkte dat dit zwarte voorwerp zwembewegingen maakte en zich langzaam maar zeker verplaatste. Wij hadden geen van allen eerder zo iets gezien. Een andere campinggast bracht uitkomst, hij had in de krant gelezen dat er de laatste dagen een ware invasie aan de gang was van de lièvre de mer, wat door Chris in eerste instantie werd vertaald als ‘zeelip´. Later, éénmaal thuis hebben we kunnen vaststellen dat de juiste vertaling moet zijn ´zeehaas´, wat het dier te danken heeft aan de uitsteeksels op zijn kop die doen denken aan de oren van een haas. Het gaat hier om een grote naaktslak, die met rogachtige ‘vleugels‘ door het water ‘vliegt‘ en daarbij algen soldaat maakt. Van een invasie hebben we verder niet veel gemerkt, want we zagen er pas weer een paar toen we op de laatste dag nog wat aan het spelevaren waren in de golf van Morbihan.
Kanoparadijs
Wieger bleek uitstekend voorbereidend werk te hebben gedaan en de tocht die hij had uitgestippeld is geheel volgens plan verlopen. Hij had zich er van tevoren al van overtuigd dat we hier, ten zuiden van Port Navalo, diverse paradijselijke eilandjes tot onze beschikking zouden hebben.
Eerst ging het die zondagochtend zo’n 18 km. naar het zuiden, naar het eilandje Houat, waar we ruim twee-en-een-half uur later de benen konden strekken in het kleine haventje. Die middag zetten we koers naar Ile aux Chevaux. Het is een onbewoond eiland en de naam doet vermoeden dat er paarden lopen, maar dat bleek niet het geval. Waarschijnlijk dankt dit eiland de naam aan de twee kleine rotseilandjes die, als trekpaarden voor een kar, vlak voor het eiland liggen. Voor ons was het belangrijkste dat er ook een alleraardigst strandje is, waar we onder beschutting van een lage klif onze tentjes zouden kunnen opzetten. Een bootje met dagjesmensen stond net op het punt om af te varen, zodat we al gauw het eilandje voor onszelf hadden. Rob en Annet besloten om geen tent op te zetten, maar de nacht door te brengen onder hun speciaal ontworpen tarpjes. Dit systeem heeft op diverse waddentochten zijn nut bewezen, want de boot dient als achterwand en beschutting tegen de wind, terwijl de tarp met behulp van een paar stokken of reservepeddels ervoor zorgt dat de slaper droog blijft bij een onverhoopte regenbui.
Het duurde niet lang of we zaten aan een geurige bonenschotel en het brandhout, dat door de vader van Annet met zoveel liefde was gekloofd, lag al klaar voor het eerste kampvuur. Die avond gingen we laat naar bed, want er kwam geen eind aan de vallende sterren. Waar de lichten van ‘beschaving‘ de hemel nog niet vervuilen kun je duizelig worden van de schitterende sterrenhemel!


Springerig gezelschap
Overigens maakten we hier ook kennis met onze onafscheidelijke metgezellen op alle stranden: de vlokreeftjes. Ze zijn met velen en ze springen zodra het donker wordt vrolijk in het rond. Eerst dacht ik dat het regende, maar het bleken de vele kreeftjes te zijn, die tegen het tentdoek sprongen. Ook verdwenen ze als kleine kamikazepiloten met honderden in het gloeiende kampvuur. Ik was blij dat ik niet onder een tarpje hoefde, maar de volgende ochtend bleek dat Rob en Annet nergens last van hadden gehad en geen ongewenst bezoek hadden ontvangen.
Adam
De volgende etappe van de tocht voerde ons naar het grotere eiland Belle-Íle. De zee was een beetje ruig, maar dat mocht eigenlijk ook geen naam hebben. We gingen aan land in een diepe inham, waar een grimmig uitziend huis, als een fort voorzien van schietgaten, de toegang bewaakt. Wij lieten ons daardoor niet afschrikken en vertrokken naar het nabijgelegen Loc Maria, alwaar wij ons de crêpes goed lieten smaken. Onder een boom in de schaduw hielden wij een korte siësta. De eerlijkheid gebiedt mij te vermelden dat Chris daar niet aan deelnam. Als altijd wanneer zijn vier reisgenoten zich aan dit soort schandalige luiheid wensten over te geven, bleef hij alert en voortdurend op zoek naar interessante camerastandpunten, wat inderdaad enkele spectaculaire plaatjes heeft opgeleverd.
Toen we aan het eind van die middag aanlegden op een mooi groot zandstrand, beleefden we een grappige situatie. Al spoedig bleek namelijk dat er op een wat meer afgeschermd deel van dit strand allerlei blote mannen rondliepen. Dat vonden wij geen probleem, in tegendeel; het moedigde enkelen van ons aan om ook in adamskostuum te gaan lopen. Al met al duurde het wel even voor het tot ons doordrong dat we hier waarschijnlijk voet aan wal hadden gezet op het lokale homostrand! Maar alles went en na een poosje vertrokken de badgasten de een na de ander en waren we weer alleen. Al gauw brandde er weer een knappend vuurtje en de meegebrachte voorraad wijn en whisky begon al aardig te slinken.
“And so ends another shitty day in paradise”, dacht ik nog voordat de slaap mij uiteindelijk overmande.
Volendam
Het is verbazend hoe snel men went aan de routine van tentje opvouwen, kano inpakken en wegwezen. Bovendien hadden we ruim de tijd, want als ik me niet vergis zaten we pas tegen het middaguur de volgende dag in de boten. De tochtleider mompelde zoiets als “de etappe van vandaag is ongeveer net zo ver als een rondje De Woude”, wat wij bepaald schokkend vonden en wat we dus maar niet verder zullen vertellen.
En toch nog behoefte aan een pauze! Een zeer diepe baai, Port Kerel, die bij eb geheel droogvalt, met aan het eind een klein zandstrand was de plek waar we aan land gingen. Omdat we geen zin hadden om na onze pauze een eind met de boten te sjouwen, besloten we ze aan een boei te leggen en door heupdiep water naar de wal te waden.
Ik vroeg aan een vriendelijke autochtoon waar het bier was en zijn antwoord was duidelijk: twee kilometer lopen naar Bangor! Met als slap excuus dat we eieren nodig hadden om onze voorraad aan te vullen, besloten we toch die afstand voor lief te nemen. Dit werd beloond met een terrasje, inclusief koud bier en cider, in het dromerige dorpje, waarna we vrolijk en verkwikt de terugtocht aanvaardden. Naar later bleek nog steeds zonder eieren, want daar had niemand meer aan gedacht. Maar wat hadden we goed berekend hoe het getij zou verlopen! Onze bootjes lagen inmiddels op het droge, precies bij de waterlijn: zo instappen en wegvaren.
We vervolgden onze exploratie van de kust: grotje in, fotootje maken, grotje uit, spleetje doorvaren, verstoppertje spelen tussen de rotsen, golfjes rijden langs de steile kliffen… en dan nog een flinke voorraad verse mosselen, zo vanuit de boot, van de rotsen plukken bij een hoge naaldvormige rots, genaamd Le Pilon, voor het avondmaal.
Bij Port Coton ligt een mooi strand, met een paar indrukwekkende rotsen ervoor. Het leek ons een mooi punt om te stoppen. Wat een idylle troffen we aan: een groot zandstrand, omzoomd door hoge kliffen, wat de indruk wekte dat het strand niet vanaf de landzijde bereikbaar was. Dat laatste bleek een misvatting, want even later kwam er tot onze verbazing een geheel in neopreen gehuld heerschap uit het water, die zijn met het speergeweer geschoten vissen ging schoonmaken en vervolgens langs een smal paadje naar boven klauterde. Het was te zien dat hij dit niet voor het eerst deed. Ik was vooral erg jaloers op deze “visser”, omdat Annet en ik urenlang lijntjes achter onze boot hebben gesleept, zonder ook maar iets te vangen. Chris gelooft zelfs al niet meer dat die methode ooit gewerkt heeft, omdat hij mij in Denemarken en Duitsland ook al even vruchteloos heeft zien pogen het dieet wat aan te vullen op die manier.
Toen we nog eens goed naar boven keken werd onze idylle nog verder verstoord door de ontdekking dat op de hoge rotsen om ons heen overal mensen liepen met camera’s en verrekijkers in de aanslag. Het gaf ons het gevoel alsof we op het strandje bij Volendam waren geland. Wat bleek nu? De markante rotsen in deze baai zijn door Claude Monet ooit vereeuwigd in een schilderij dat Les Pyramides au Port Coton heet. En alle toeristen die Belle- Íle bezoeken moeten natuurlijk de zonsondergang bewonderen op deze beroemde plek, waar nu opeens een stel rare buitenlanders een bivak aan het bouwen was. Zouden de aapjes op de apenrots in Artis zich ook zo voelen? Gelukkig trokken de drommen weg toen het eenmaal donker werd en konden wij ons natuurlijke gedrag weer vertonen. De mosselen waren snel klaar en we lieten ons het maal goed smaken. Ik meen dat hier de wijnvoorraad aan zijn einde kwam. Maar brandhout lag er gelukkig genoeg.


Open lucht
Zei ik eerder in dit verslag iets over routine? Wel, blijkbaar was ik teveel op mijn routine gaan vertrouwen, maar dat zou pas die avond blijken.
De volgende dag konden we weer zonder haast opbreken. Het gescharrel langs deze prachtige kust nam nog eens een aanvang. Omstreeks het middaguur voeren we langs een prachtige ruïne van een oude vuurtoren en zochten voor de lunchpauze een diepe, fjordachtige inham op. We waren al dicht bij de meest noordwestelijke punt van het eiland. Het was heerlijk warm en zonnig weer en we lieten ons verleiden tot een luierpartij, hoewel we natuurlijk onmogelijk erg moe konden zijn geweest. Na de lunch en met middagslaapje nam Wieger, staande op een hoge rots, foto’s van ons varend op doorzichtig water: een zweefmoment. Goed om later als bureaublad -achtergrond op de computer gezet te worden.
We rondden de noordpunt bij Iles des Poulins en voeren naar Sauzon. Gelukkig hebben ze daar een camping, want het is streng verboden om wild te kamperen in Frankrijk (net als in Nederland). Na enig zoeken vonden we toch een geschikte plek om te overnachten, gelukkig. Jammer dat ik de nacht moest doorbrengen in de open lucht. Mijn opa zei vroeger al vaak: Wie zijn gat brandt moet op de blaren zitten. Wel, ik ontdekte dat ik geen tentstokken en haringen meer had. Je gaat dan ernstig aan jezelf twijfelen, en terecht! Ik had blijkbaar twee zakjes op het strand van Monet achter gelaten. Goede raad is altijd al duur geweest, zo ook nu. Ik ben uiteindelijk met een aardige toerist meegelift naar Port Coton en ben weer helemaal naar beneden geklommen, evenwel zonder resultaat: mijn stokken en haringen waren spoorloos.
Mijn reisgezellen hadden inmiddels in het haventje van Sauzon een puik visrestaurant gevonden, waar ik mijn verdriet heb verdronken in koude cider. Die nacht sliep ik op mijn matje, in de slaapzak met de losse tent over me heen. Ik sliep heerlijk, tot mijn eigen verbazing, maar mijn slaapzak was wel erg vochtig geworden, zodat ik de volgende nacht graag gebruik maakte van het aanbod om in de koepeltent van Annet te overnachten, weliswaar zonder Annet, die de voorkeur bleef geven aan haar tarp.
Aan de dinertafel hadden we het plan voor de volgende dag al besproken: koffie drinken in Le Palais, haventje met prachtige oude citadel, lunch op Ile aux Chevaux en door naar Hoedic, een klein bewoond eiland, waar we op de noordoostpunt wilden kamperen.
Die middag was het vrijwel windstil en treuzelden we eindeloos tijdens de oversteek naar Hoedic. Het was heet en we wilden zwemmen. Iedereen, behalve Rob, plensde uitgebreid in het klare oceaanwater rond. Een verkoelende ervaring, waar “de wilde frisheid van limoenen” lang niet aan kan tippen! Deze manier van pauzeren hebben we de naam “peddelfloatpauze” gegeven, omdat de peddelfloat het aangewezen middel is om na het zwemmen weer in je boot te komen. Dit gaf overigens aanleiding tot hilarische taferelen, toen ik, tot mijn eigen verbazing achterstevoren in de kano terecht kwam. Als er geen foto’s waren gemaakt had ik het zelf nauwelijks kunnen geloven.
We hebben de volgende dag deze sessie nog eens herhaald, maar toen ging het al veel soepeler, met een zgn. KIWIslag, die is afgeleid van de kiwi-redding.
Grensverleggend
Het was behoorlijk laag water toen we om Hoedic heen voeren en op zeker moment naderden we een passage waar we met de kano’s nog maar net doorheen konden, anders hadden we een stuk moeten omvaren. Rob bleef wat achter en ik keek om waar hij bleef. Ik zag dat de anderen ook bezig waren om naar hem toe te varen. Wat was die man toch aan het doen? Het leek wel of hij aan de grond zat, vlak langs de rotsen. Bijnader inzien bleek dat hij zijn favoriete lekkernij had ontdekt: oesters! Hij sloopte ze met zijn mes van de wand en at ze uit het vuistje. Ik had nog nooit in mijn leven de moed kunnen opbrengen om zo’n rauw slijmerig diertje naar binnen te slobberen, maar toen ik zag met hoeveel smaak de kapitein zich te buiten ging aan het verse zeebanket, heb ik me laten verleiden. De eerste die Rob mij aanbood verdween (per ongeluk?) over boord toen ik probeerde hem aan te pakken. De tweede zette ik vol goede moed aan mijn mond en slobberde de inhoud van de schelp naar binnen, zoals ik had afgekeken. Ik voelde een kokhalsneiging opkomen toen ik het snotterige klontje door mijn keel liet glijden. Maar ik hield het binnen en wist zelfs nog een tweede exemplaar te overmeesteren. Daarna heb ik snel een mueslireep gepakt uit mijn zwemvest om de zoute smaak te verdrijven. Ik snap inmiddels ook helemaal waarom er een verband wordt gelegd tussen oesters en erotiek, maar daar zal ik niet over uitweiden.
Toch heb ik die avond, bij een fabelachtig mooie zonsondergang, zittend met mijn vrienden hoog op een rots boven ons laatste bivak en onder het genot van een goed glas wijn (de voorraad was in Sauzon aangevuld!) mijn grenzen definitief verlegd. Rob had er nu namelijk ook citroensap bij gedaan. En ik moet eerlijk zeggen: een verse oester, met een paar druppeltjes citroensap is werkelijk een delicatesse. Het is als met zoveel dingen: je moet ze leren eten!


Spelevaren
Je snapt wel dat ik de volgende dag met spijt moest constateren dat de laatste etappe van de tocht was aangebroken. Het waaide flink, voor het eerst deze week. Ik had erg veel last van de wind en golven schuin van opzij, omdat mijn scheg een paar dagen eerder defect was geraakt. Ik had zelfs moeite op bij de groep te blijven en mijn linkerarm moest voortdurend overwerk doen. Maar uiteindelijk konden we op Houat uitgebreid pauzeren en was het leed al snel weer vergeten op een terras met uitzicht op de haven. Het weer bleef mooi en de wind nam sterk af.
De overtocht naar Port Navalo was bij kalme zee een fluitje van een cent. We voeren bijna de hele tijd op een rechte rij naast elkaar en ik had het gevoel dat we zo wel dagen hadden kunnen doorvaren. Om de tijd te rekken en de hitte te verdrijven deden we nogmaals de peddelfloat. In Frankrijk hoort een peddelfloat tot de verplichte uitrusting van een zeekajak, evenals een zgn. seinspiegeltje, een rond spiegeltje met een gaatje in het midden. Met dat grappige speeltje hadden we al bij het vertrek van Port Navalo geoefend, maar onze conclusie was dat het weinig zou bijdragen aan onze veiligheid omdat je nu eenmaal meer kans hebt om in de problemen te raken als het niet zulk mooi zonnig weer is en dan werkt het spiegetje niet…..
En zo stootten in de loop van de middag vijf kano’s precies tegelijk op het zand in Port Navalo, vlak voor de camping. Ja, we hebben echt braaf op de camping overnacht!
Even zwemmen en daarna de boten uitladen; weer die routine! Ik had twee zakjes minder uit te laden, maar een groot deel van het eten had ik nog steeds bij me, zo goed hadden moeder natuur en mijn kameraden voor mij gezorgd!
Twee Britse toeristen schudden hun hoofden van verbazing bij het zien van de hoeveelheid bagage die uit zulke kleine bootjes tevoorschijn kwam. De boten legden we hoog op het strand.
Na een rustige nacht werd er door Chris en Wieger voor vers brood van de bakker gezorgd en na het ontbijt brachten we een auto naar het haventje van Le Logéo aan de baai van Morbihan. Dan nog even een bezoek aan de supermarkt voor wat typisch Bretonse lekkernijen om mee naar huis te nemen en terug naar de camping. Die middag gingen we genieten van het spel van stroom en wind . We voeren eerst Port Navalo voorbij naar het westen, al traverserend want er stond al een behoorlijke stroom. Aan de overkant van de monding lagen we op een strandje te wachten tot de stroom op zijn mooist zou zijn. We zagen jachten met volle zeilen, die volkomen stil lagen omdat ze tegen de stroom in probeerden te komen en jachten die met grote snelheid naar binnen stoven, met de stroom mee. Hier en daar stonden ook flinke golven, waar wind en stroom met elkaar de strijd aanbonden.
Wij stortten ons ook in het geweld. Het leuke was dat je van minuut tot minuut kon bepalen hoe spannend je het voor jezelf wou maken door de ruwe stukken te kiezen of juist in een keerwater uit te rusten of je gewoon met de stroom mee te laten sleuren de baai in.
Toen we genoeg gespeeld hadden zochten we het eiland met de beroemde prehistorische grafheuvel op, Gavrini, maar daar mochten we alleen aan land als we entrée zouden betalen en ons bij een groep toeristen zouden voegen. Nu zijn wij natuurlijk ook toeristen, maar dan toch anders. Dus wij kozen het eiland daarnaast uit om de koffie en de verse stokbroodjes met ansjovis en heerlijke kaas eer aan te doen.
Ach en over de rest kan ik kort zijn: het weer bleef mooi, de auto stond er nog en de tweede auto was snel gehaald. Boten wegen zonder bagage als veertjes zo licht en we waren dus al gauw weer op de camping. Het uitwassen van de spullen en het inpakken van de spullen die we niet meer nodig hadden voor de nacht had een droevige ondertoon, immers het was het onherroepelijke einde van een goddelijke week.
Maar Rob zorgde voor een extra hoogtepunt door ons uit te nodigen voor een echte Bretonse vismaaltijd, met krab, kreeftjes, garnalen, oesters en diverse andere schelpdieren, voor het eten waarvan we een hele gereedschapkist kregen uitgereikt. Zo trof ik naast mijn bord ondermeer een soort notenkraker, een miniatuur breekijzer en een grote kopspeld. Het smaakte allemaal verrukkelijk en we waren blij dat de ober ons had gewaarschuwd dat het wel wat veel was om ook nog een hoofdgerecht te bestellen, omdat dit zeebanket al bepaald copieus was.
En dan….
Het rijden op de snelweg, na een hele week in een zeekano, is altijd weer even slikken. Opeens begeef je je weer in een mallemolen van snelheid en gevaar. Er raast adrenaline door je lijf en je past je weer aan aan de moderne maatschappij, die als een trein doordendert zonder dat je hem kunt tegenhouden.
En daarna? Daarna ga je weer aan je werk, je maakt al je spullen schoon en bergt ze op voor een volgend avontuur. En je belt de leverancier met de vraag of je die tentstokken nog wel kunt bestellen voor dat type tentje…….
En je maakt nieuwe plannen, maar daar hebben we het nu niet over.
Henk, met dank aan mijn trouwe metgezellen voor hun op- en aanmerkingen bij dit stukje, maar vooral voor hun vrolijke gezelschap.