Kanovereniging Uitgeest Kanovereniging Uitgeest       Neem de tijd pak de kano

Openingstocht KVU 30-4-2005

Openingstocht KVU 30-4-2005

Om even na 13:00u doopte Jos Dekker onder een vriendelijk zonnetje de “Rabootje”en de “Mini-Max”. Rabootje is bekostigd uit het sportfonds van de plaatselijke Rabo Bank. Het een ranke pe zeekajak vooral geschikt voor lichtere personen. Minimax is een kinderkajak, geschonken door de Maxen Zonneveld.
Gelukkig was Jos zuinig met de champagne, zodat de aanwezigen uit allerlei bijeen gegaarde glazen een slokje konden drinken. Ja, die aanwezigen! Jos en ik hadden ons afgevraagd hoeveel mensen er zouden meevaren en waren op de hoge schatting van 10 gekomen, mede gezien de inschrijving, de telefonische aanmeldingen en de nogal slechte weersverwachting. Onze verwachting werd overtroffen: 17 leden namen deel.
De moeilijkheid bij de openings- en sluitingstocht is dat álle leden mee moeten kunnen doen, zodat het nooit een grote, zware tocht mag worden. Maar gelukkig hebben we zoveel moois in de directe omgeving

Verslag: Eric van der Wal

Het eerste doel is het historisch-industriëel park “De Hoop”, slechts op een km afstand van onze thuishaven.
Met wat moeite kregen we de kano’s aan de kant van de steiger zonder nat pak.
De aanlegsteiger wordt bewaakt door de stalen bastaard-botter Peer de Schuymer van Lars Kossen. De scheepsnaam refereert naar Kapitein Rob, een feuilleton in het Parool, waarin Peer de Schuymer met zijn schip de “Helhond” figureerde als de ruwe bolster-blanke pit zeerover in de Gouden Eeuw.
Deze botter doet mij denken aan een Rijkswaterstaat tonnenlegger voor de zeegaten uit het eind van de 19e eeuw. Jammer genoeg was Lars zelf niet aanwezig, omdat hij zo aanstekelijk over zijn hobby en beroep kan spreken.
De Hoop is een eerbetoon aan de molenbouwer Cornelis Corneliszoon ooit uit dit dorp.
Cornelis Corneliszoon van Uitgeest, uitvinder aan de basis van de Gouden Eeuw
Zonder Cornelis Corneliszoon van Uitgeest zou de historie van ons land er wellicht anders uitzien. Toch wordt hij in geen enkel geschiedenisboek vermeld. En dat is vreemd. Want met zijn uitvinding van onder andere de houtzaagmolen legde deze boer en molenmaker de basis voor de bloei van onze natie in de Gouden Eeuw.
Cornelis Corneliszoon van Uitgeest, uitvinder aan de basis van de Gouden Eeuw, wordt in geen enkel geschiedenisboek vermeld. Hij staat te boek als de uitvinder van de wind-houtzaagmolen.
Hij is gehuwd met Trijn Pietersz, dochter van Pieter Dircxsz, korenmolenaar aan de Meldijk te Uitgeest.
Op 15 december 1593 verkrijgt Cornelis het octrooi, het alleenrecht om ‘tot Uytgheest ende elders dairt hem best gelegen sal wesen te maecken ende op de rechten een nyeuw werck van een wintmoelen dair alderhande hout mede mach worden gesaecht” en wel voor 12 jaren. De bijbehorende tekening is duidelijk een wipmolen ‘aan welks voet de aangedreven as naar buiten is verlegd en daar een kruk draagt voor de beweging van het zaagraam. Dezelfde as draagt een rondsel samenwerkend met een groot tandrad dat is verbonden met een tweede rondsel, werkend op een tandheugel voor het voortschuiven van de wagen die het te zagen hout draagt.’
Door de toepassing van de krukas in de molen kon de draaiende beweging omgezet worden in een op-en-neer gaande beweging. Met behulp van een zaagraam kon de windmolen balken tot planken verzagen. Het zaagraam was verstelbaar zodat het zagen van verschillende plankdiktes mogelijk was.
De molen van Corneliszoon werd “’t Juffertje” genoemd vanwege het vrouwelijk ogende postuur. In latere beschrijvingen komt ook de naam “Het Moertje” voor als moeder aller hotzaagmolens.
Dat Cornelis meer molenbouwer was en constructeur bewijzen ook de andere octrooien op zijn naam. Op 6 december 1597 verkrijgt hij voor de tijd van 10 jaar een octrooi voor een watermolen en een oliemolen. De Staten verwijzen naar een octrooi 3 à 4 jaren eerder gegeven voor ‘een besondere creckwerck van yser of hout” tot nu toe alleen benut voor zaagmolens. Zijn uitvinding maakt het mogelijk om in korte tijd grote hoeveelheden boomstammen te verwerken tot balken en planken. Het zagen met behulp van windkracht is niet alleen goedkoper en dertig keer sneller dan het tijdrovende en vermoeiende handzagen. Zijn vinding voorziet ook in de groeiende behoefte aan bouwmaterialen voor pakhuizen en de Oost-Indiëvaarders, maar tevens voor de ondergang van het gilde der Amsterdamse handzagers. De diverse Amsterdamse gilden verzetten zich tot het uiterste tegen de import van de Zaanse en Waterlandse toeleveringen.
Bovenstaand stukje heb ik waarschijnlijk gepikt van het internet, ik weet niet meer. Dus met excuses aan de schrijver.

Het vrouwelijk ogende postuur van Cornelis’ molen verwijst naar een paltrok-molen, genoemd naar de mantel van huurlingen uit de Palz. Hier vlakbij aan de Meldijk is een soort kinderspeelplaatsje, waaronder men een paar jaar geleden het kruiswerk van een molenfundatie heeft opgegraven. Een overblijfsel van een product van Cornelis?
De stichting De Hoop heeft reeds een paltrokmolen gekocht uit Amsterdam en de fundatie reeds aangelegd, maar nu opeens ontdekt de deelraad dat ze dan een historisch monument moeten missen. Een kundige vrijwilliger gaf ons een goed verhaal over de molen-tentoonstelling. Het park heeft reeds 3 schuren gebouwd voor oude ambachten. Een deel van de museum-schuur wordt door Lars Kossen gebruikt als werfloods. Hij heeft reeds een Zeeuws waterschip uit de 17e eeuw gebouwd en –helaas voor ons- afgeleverd. Nu is in aanbouw een sloep: rondbouw, rond achtersteven. Gebogen eiken delen: gestoomd en gebrand. Eén zwaard, dat aan lijzijde gehangen wordt tijdens het zeilen, gelijk aan de vroegere Aalsmeerse punters.
Lars noemde deze sloep in een gesprek met mij “saloupe”. Ik ben op zoek naar de betekenis van het Franse woord saloupe. Als ik het via internet doe, krijg ik de indruk dat het zoiets als “slet” of geil wijf betekent. De Franse Petit Larousse geeft het woord niet. In het Nederlands wordt het echter als paardennaam gebruikt. In het oud-Vlaams stond het voor een vaartuig, waarvan de naam vermoedelijk later is geëvolueerd tot “sloep”. Er zou een relatie zijn met het Arabisch/Turks “salep”, dat vossenkloot of grondknol van een orchidee zou betekenen. Mogelijk een vorm-overeenkomst?

In de zomer zal ook een scheepsbouwschool uit Enkhuizen naar het park verhuizen. Dan moet ik zeker weer eens gaan kijken!

Aan de Lagedijk hebben –ik meen vier- watermolens gestaan, die het water uit de Broekpolder uitsloegen op het Uitgeestermeer. Er is één over, een machtige achtkantige bovenkruier
De Broekpolder is deels veen, deels oude zeeklei, als gevolg van het oude IJ-estuarium. Deze polder wordt door de oude Zeedijk, de Aagtensdijk, gescheiden van de voormalige Wijkermeer. De Broekpolder was een erg moerassige polder; broek betekent uiteindelijk ook moeras.

We voeren verder naar de “rolletjes”. Tussentijds passeerden wij een haventje, dat ik onder de aandacht breng als een soort noodhaventje voor kanoërs voor het woelige water van de Stierop. Omdat de uitstap bij de “rolletjes” voor zoveel kajaks een beetje bezwaarlijk was, heb ik m’n toelichting maar op het water gehouden.
De “rolletjes” is een belangrijke middeleeuwse scheiding tussen de Zaan en het IJ. Om toch scheepvaart mogelijk te maken, werd hier een overtoom aangelegd, waardoor schuiten van het ene naar het andere vaargebied konden worden overgehaald. In die tijd werden overal in Holland waterscheidingen aangelegd. Aan belangrijke dammen ontstonden plaatsen, waar de goederen werden overgeladen. Later werden die dammen vervangen door sassen, ofwel sluizen.
Toen het zeegat de Zijpe boven Alkmaar werd afgesloten en de Hondsbossche Zeewering werd aangelegd, werd bij grafelijk decreet bij Zaandam een sluis gebouwd en vele extra dammen aangelegd. Uit die tijd stamt nog wel een typisch Noord-Hollands scheepstype, de damloper, een gedrongen, zwaargebouwde soort tjalk, die over overtomen gesleept konden worden.
Het leuke van dit plekje is het riet langs de kant van de Stierop, dat een goed jachtgebied is voor vooral kiekendieven, terwijl de andere kant toegang geeft tot de Krommeniër polder, waar veel weidevogels bivakkeren., maar ook de aalscholvers graag op een paar kale bomen hun veren laten droogwaaien en hun visjes verteren. Het water van deze polder is mogelijk wat ondiep, maar dat ongemak moet ons niet weerhouden daar af en toe een toertje te maken.
Het grote aantal boten en het verlate broedseizoen weerhielden ons daar te varen..

Van de Overtoom zijn we pal west naar het Limmergat gevaren. Bij veel wind is dit stuk meer het warrigst water van het Langemeer, omdat de golven uit verschillende richtingen kunnen komen.. Aan het eind van het Limmergat lag vroeger een sluisje, natuurlijk met café, waardoor vooral de schelpenschuiten uit de Castricumse schulpvaart voeren.
Er loopt nog een tochtsloot naar het museumgemaal. Van hier kun je naar het Limmerdie varen, een schitterend plekje natuur pal naast de snelweg.
Het Pannekoekeiland in het Limmergat bracht Jos op het idee daar eens een pannekoekparty te houden. Voor mij is een tochtje naar de Limmerpolder in het voorjaar nog steeds een leuk uitstapje. Moeten we ons lid Peter Zwitser eens vragen ons te begeleiden.

Toen we weer op de thuishaven aankoersten, kwam Chris Groot met zoon Eli ons tegemoet varen in de Canadees van Mattijs na het opleveren van een opgeruimde keuken.

In de haven hebben we de boten weer netjes weggelegd en genoten van soep, brood en drank in een vriendelijk zonnetje. Ik was geroerd Tini vaardig de soep te zien roeren.
Een geslaagd verenigingsevenement dankzij Jos, Marian en Peter en …. ja, iedereen voor hun hulp en vrolijkheid.
pew