Kanovereniging Uitgeest Kanovereniging Uitgeest       Neem de tijd pak de kano

Fascinatie voor landkaarten

March 23, 2006

Fascinatie voor landkaarten

Door: Eric

Toen ik in de 4e klas L.O. aardrijkskunde kreeg, raakte ik verslaafd aan landkaarten: hoe zit een gebied in elkaar, hoe kun je het landschap en de mensen daarin “lezen”? Toen ik die landkaarten kon verbinden met de geschiedenis, genoot ik! Ik creëerde op papier mijn eigen aardrijkskunde en geschiedenis voor mijn tweedimensionale fantasiewereld, die ik bestierde als een goede god.
Met de toename van mijn geografische en historische kennis werden mijn tekeningen complexer en groeide mijn belangstelling voor “echte” landkaarten...

De moderne landkaarten zijn erg nauwkeurig, het probleem is niet de detaillering, maar juist het weglaten. De hulpmiddelen als luchtcartografie, zelfs satellieten, zijn daartoe. Historische landkaarten waren vaak ook verbijsterend nauwkeurig, zeker gezien de eenvoudige makers daarvan, veelal van huis uit timmerlieden, die slechts via driehoeksmetingen vanuit kerktorens prachtig gedetailleerde kaarten maakten. Daar deze kaarten gemaakt werden voor voorname lieden, werden ze schitterend versierd en gekleurd. Belangrijke objecten werden in miniatuur in de kaart uitgetekend. Een kaart was een bezit met hoog aanzien! De maatvoering was vaak naar plaatselijke maat, in roeden, ellen en voeten etc. Pas laat in de 19e eeuw waren de maten allemaal metrisch gestandaardiseerd. Met de polytechnische opleidingen in Frankrijk en hier in Delft worden de kaarten zakelijk en wordt een standaardsymboliek ingevoerd, toegelicht in de legenda.
Soms kom je historische kaarten tegen, die doelbewust vertekeningen hebben, b.v. om de vijand te misleiden, de grootheid van een stad, rijk of persoon weer te geven. Ook in de huidige kaarten zijn doelbewuste vertekeningen, b.v. de dikte van de streep, die een snelweg aangeeft, de symbolen voor plaatsen geclassificeerd naar inwonertal.

Als ik een kaart lees, zoek ik vooral naar de contouren en de lijnen van het landschap. Naast klimaat zijn deze de fundamentele kenmerken voor bewoning, exploitatie en historie ervan.
Mooie kaarten vind ik die van de lijn Venlo-Marseille, de aorta van de Frankisch-Bourgondische historie, en die van de zeegewesten van Nederland, omdat die in kort tijdsbestek zeer verschillend en van een hoge kwaliteit zijn. Een beroemde cartograaf was Willem Blaeu uit Uitgeest, die bij de beroemde Deense astronoom Tycho Brahe een gedegen opleiding kreeg. Naast een gedegen vastlegging van de Nederlanden in kaarten was er een zeker zo fraaie vervaardiging van zeekaarten door Nederlandse cartografen op basis van minutieuze schetsen van zeelieden.

Een schets van de oertijd van Noord-Holland
Het westen van Nederland is een sedimentatie van het Europese hoogland en een beetjes zeeafzetting, waarop ooit een grote plak hoogveen.
De contouren van het Noord-Hollands landschap zijn op het oog zeer beperkt: duinen, dijken en drie leemhoogten, c’est tout! En toch zijn er nauwelijks zichtbare hoogteverschillen, rimpels in het landschap, waarlangs de menselijke kolonisatie en de daarmee gepaard gaande landcultivering plaats vond: de strandwallen, rivierduinen en oeverwallen, allemaal gevormd door de kracht van het water.
Vóór de Christelijke jaartelling was er slechts een minimale bewoning in deze provincie. De Romeinse tijd o.a. in de vorm van het palenfort Velzen bracht werk: veeteelt, bosbouw, transport en handel en trok daarmee mensen aan uit hogere streken.
In die tijd vonden er grote veranderingen in de zeereep plaats: onder invloed van een klimaatsverandering, mogelijk ook enigszins door intensievere bosbouw en jacht werden de lage, beboste oude duinen overstoven door de hoge, aaneengesloten, kale jonge duinen.
Meer in het binnenland groeit het veen, dat nog grotendeels moet afwateren naar zee, het Gat van Castricum en de Rekere en het OerIJ, dat mogelijk loosde op de Rijndelta, of daar zelf een onderdeel van vormde. Onder de druk van de groeiende bevolking trekken de mensen het veen in, langs strandwallen, oeverwallen en binnenduinen, zoals Limmen. In die vroege jaartelling breidt de veenkreek Almere, uitmondend in de Vliestroom zich uit tot de latere Zuiderzee. In diezelfde tijd ontstaat het Marsdiep, dat de vorm van de oostkust van Noord-Holland bepaalt. De Zuiderzee maakte betere afwatering van Noord-Holland mogelijk, de groei van de –toen nog genoemd Friese- visserij en zeevaart, maar bedreigde tevens het veenland achter de zeereep.
Het land achter de duinen werd doorneden met kreken en riviertjes, die in open verbinding met de Zuiderzee stonden. Landbouw achter de duinen, veeteelt maar vooral visserij waren de belangrijkste middelen van bestaan van een schaarse bevolking. Vanaf het begin van de Middeleeuwen werden op kreekruggen de ontginningsdorpen Assendelft, Westzaan, Wormer en Oostzaan gesticht. Vanuit deze dorpen werd turf gewonnen en het veengebied ontgonnen. Op een aantal plekken in de Zaanstreek is dit Middeleeuwse verkavelingspatroon nog zichtbaar. Het veen werd ontgonnen door het graven van ontwateringssloten. Op de lange duur leidde dit tot het indrogen en inkrimpen van de veenlaag. Dat betekende een bodemdaling die het land ongeschikt maakte voor landbouw en kwetsbaar voor het alom aanwezige water.

De strijd tegen het water
De monniken van de Abdij van Egmond legde ten oosten van hun abdij een dam om hun gebied te beschermen, alwaar het latere Alkmaar ontstond. Tevens legden ze dammen aan, die opstuwend water uit het zuiden en noorden moesten tegenhouden. Daarvan zijn reeds vroeg primitieve landkaartjes gemaakt. In de late Middeleeuwen was de dreiging van de Zuiderzee zo groot, dat men dammen ging leggen in de verschillende zeegaten. Karel V bemoeide zich met het waterbeheer in Noord Holland, omdat ieder ingrijpen wel een protest uitlokte, van benadeelde vissers, van edelen. Er werden waterschappen ingericht, die onder bestuur van een edele heer die het krakelende volk in het gareel moest houden, hen aan het werk zetten aan de waterwerken en ingelandengelden moest laten betalen. Want er moesten investeringen en onderhoud gedaan worden: de windwatermolen was in ontwikkeling en onmisbaar doordat het ingeklonken land steeds moeilijker kon worden ontwaterd. Veenkaden werden omringdijken, tongemalen moesten de polder droog houden . Door dammen kon men wateren van elkaar scheiden, zodat de effecten van de wateropstuwingen tijdens stormen en langdurige windrichtingen werden beperkt. Aan de diverse dammen ontstonden spoedig steden met overslag-, stapelrechten en markten. De dammen werden later van schutsluizen voorzien. Toen in de 80-jarige Oorlog Amsterdam langer dan het omliggend land aan de Spaanse zijde bleef, profiteerden de diverse Zuiderzeestadjes daarvan. Echter, na de overgang naar de Republiek hervond Amsterdam al snel zijn leidende positie.
Reeds toen vond in Noord-Holland een actieve Noordzee-kustverdediging plaats: om het afkalven van de kust te beteugelen werden palenrijen met rijshout en steen uit Vilvoorde of via ballast uit retourschepen uit Bordeaux en omstreken. Erg kostbaar, omdat zelfs de palen uit Scandinavië moesten worden ingevoerd en bij Zaandam de stenen Hondsbossche sluis moest worden aangelegd en onderhouden door het Hoogheemraadschap.
Het herkennen van het nationaal belang leidde tot supra-regionale heemraadschappen en zelfs tot hoogheemraadschappen, waarbij de macht van de waterschappen werd gebroken.

De bloei; nadeel wordt een voordeel
De rosmolen heeft weinig of geen ingang gevonden. In de kustprovincies was geen waterhoogteverschil toereikend om waterkrachtmolens te bouwen. Maar het open land en de vrijwel altijd aanwezige wind waren uitermate geschikt voor windmolens.
Reeds in 1408 werd de eerste watermolen in Alkmaar gebouwd. Vreemd genoeg vond dat vooral navolging onder het IJ, vermoedelijk omdat dit noordelijk gebied te arm was zo’n dure molen te bekostigen (bouwkosten naar huidige maatstaf bijna 1 miljoen Euro). Er ontstaan een drietal typen: de stadse torenmolen van steen met een draaibare kap, waaruit later de veelkantige houten molen is ontstaan, de standerdmolen, die in zijn geheel draaibaar was en de wipwatermolen, die vooral in het zuiden van Utrecht emplooi vond. In 1562 werden het Egmonder Meer en het Berger Meer drooggemalen met behulp van de veelhoekige binnenkruier, waarbij het scheprad in de molen zelf zit. De financiering geschiedde door Lamoraal van Egmond en de Heer van Brederode, heren van het Brusselse hof. De molens in het graafschap Holland moesten aan moeilijk verenigbare eisen voldoen: licht gebouwd, opdat er slechts een lichte fundering nodig was, en toch erg sterk. Soms was het fundament een houten kruis, soms een lage stenen opbouw. Het geraamte was van houten –grenen- balken, de spil van eiken. De bekleding was van hout of riet. Slechts weinig ijzer werd gebruikt voor de bewegende delen, omdat hout op ijzer erg snel slijt.
Aan het eind van de 16e eeuw werden de eerste grote molens gebouwd, door de Vlaming Lieven Janz van Moerbeke in Alkmaar (1582) en Cornelis Cornelisz van Uytgeest (1593, uitvinding van de krukas) voor industriële toepassingen. Met deze technieken ving de economische bloei van de Zaanstreek aan.
De Amsterdamse glorie vond de bron in de middeleeuwse economie van gilden, octrooien en protectie, de Zaanse vooral uit de nieuwe gildeloze economie. Er ontstonden hout-, olie-, krijt- en papiermolen. Het Amsterdamse houtzagersgilde kon niet voorkomen dat de houtzaagmolen de Zaanstreek zelfs enige tijd tot het toonaangevende centrum van de Europese scheepsbouw maakte. Stapelgoederen uit Amsterdam werden in Zaandam tot eindproduct veredeld, terwijl de drooglegging van Beemster, Purmer en Schermer nieuwe landbouwproducten als grondstof voor de Zaanse industrie opleverde. Doopsgezinde en protestante vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk zorgde voor de energieke aanpak en het vakmanschap van de industriële ontwikkeling. Het Westzanerveld tot aan de Nauernase vaart stond vol met molens, zodat later de uitbreiding naar de Oostoever van de Zaan werd gemaakt, van Wormer tot aan de Kalverpolder.
Vanaf 1200 (+ 200.00 inwoners) tot 1600 (+ 600.000 inwoners) vindt een behoorlijke bevolkingsuitbreiding plaats in het graafschap Holland, die zich concentreert in de Zaanstreek, de Zuiderzeesteden, maar vooral in Amsterdam . Maar er is ook een forse emigratie naar Noord-Duitsland (Vlamingen, Zeeuwen, Friezen en Hollanders) i.v.m. de ontginning van de waterrijke gebieden daar. Ook migreren Noord Hollanders naar de monden van de Hollandse grote rivieren.
Met de betere bemaling daalt het maaiveld van het veen en door de turfwinning t.b.v. de groeiende bevolking ontstaan legakkers, die erg kwetsbaar zijn. Er ontstaan overal polders en droogmakerijen. In de natte gebieden kan alleen zomergraan, vooral gerst voor de bierproductie, worden verbouwd. De plattelandsbewoners gaan over op de extensieve veeteelt.
Boven het IJ ontstaat naast de visserij handelsvaart op de Oostzee: haring, graan, pek huiden, honing en het geheimzinnige barnsteen.. De strijd tegen de zee verstrekt werk aan die taaie boerenzonen, die geen emplooi in de marginale veehouderij vinden. Deze waterwerkers reisden van project naar project.
Beneden het IJ veel vetmesterij en kaasproductie voor export, vooral naar Brugge, Brussel en Antwerpen. Daarmee wordt een behoorlijke welstand bereikt.
Veel van de handel op de Oostzee wordt doorgevoerd naar Engeland en Zuid-Europa: Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal in ruil voor zout, specerijen, zuidvruchten, wijn en goudgeld, zelfs tijdens de 80-Jarige Oorlog. Deze transitohandel wordt de moeder-negotie genoemd en heeft een groter en constanter aandeel in de welvaart gehad dan de zoveel besproken VOC- en WIC-handel.
Schitterend zijn de zeevaartkaarten van de Mediterranee met de imposante stadsaanzichten vanuit zee.
De welvaart in Holland trekt dus veel immigranten aan, die gevoed en gehuisvest moeten worden. Als je de kaart van Holland uit die tijd ziet, constateer je dat Holland toch wel erg nat is. Ik schat dat 1/3 water is en dan te bedenken dat het platteland ’s winters deels onder water stond. De concentratie van de bevolking is dus vooral in de steden. Buiten de zeeprovincies van de Zeven Provinciën veranderen de grote steden van internationale handelssteden in toeleveranciers en garnizoenssteden van de Hollandse handel en industrie.
In weerwil van het verval na de Gouden Eeuw bleef dit gebied het internationale industriegebied van de Zeven Provinciën tot aan de Franse bezetting. Duidelijk verval was te constateren in de steden aan de Zuiderzeekust, die ook langzaam ontvolkten en nooit hun oude glorie hervonden.
Op de opeenvolgende kaarten zijn deze groei en krimp duidelijk terug te zien. Vele industriegebieden om de steden werden teruggegeven aan de natuur. Scheepswerven en de toeleverende industrie verdwenen. B.v. Amsterdam begon pas in het midden van de 19e eeuw aan de Oostelijke uitleg, die aan het eind van de 17e eeuw was gepland. Hoorn en Enkhuizen werden van middelgrote handelsplaatsen vissersplaatsjes aan de Zuiderzee; pas na de 2e W.O. zouden die weer groeien, grotendeels om de groei van Amsterdam op te vangen.
De innovatie verdween. De cartografie was vooral een kadastrale activiteit.

Wonen in het veen
De bebouwing kleefde eerst vooral aan de dijken, later ook het land in. Vooral een houten bebouwing, omdat de veengrond slechts een lichte toestond. In St Pancras heb ik een houten dijkwoning gezien, die grotendeels “hing” aan de stenen vuurplaats, die in de voet van de dijk was verankerd.
Vele dorpen zijn “verdronken”in het veen, de omgeving werd te nat om te wonen (Poppendam), andere hebben de strijd tegen het oprukkend water verloren, weer andere zijn meerdere keren verplaatst (Assendelft). Een grote vijand van stedelijke bebouwing was brand. Vandaar dat vele Hollandse stadbesturen aan het eind van de middeleeuwen stenen muren en pannen daken voorschreven. In de Zaanstreek vereiste dat een zware fundering, dat economisch nog niet kon worden opgebracht, dus was houtbouw toegestaan. Gevolg is, ondanks de vele voorschriften over de te gebruiken brandstof (b.v. geen houtspaanders) vele grote branden, zowel in molens als de woonsteden.
In Zaandam zijn later vele stadssloten om gezondheidsredenen gedempt met als huidig gevolg dat wegen en riolering extra onderhoud vereist.
Soms treft men boerderijen en kerken op lage terpen aan, vaak zijn de terpen nauwelijks te onderscheiden in het land, zoals bij de Poppendammer Gouw, Waterland, waar je ze slechts merkt als een lichte bobbel in de weg, soms nog duidelijk te herkennen (Marken).
Vele karren- en scheepsvrachten zand, koeienhuiden en heipalen hebben Amsterdam boven het water moeten houden.

Noord-Holland breekt uit zijn ketenen
Lange tijd heeft de demografische infrastructuur de bestaande ontginningsstructuur gevolgd. Zelfs de Nauernase Vaart die primair diende als afwateringskanaal voor de verkleinde Noord-Hollandse boezem na het droogleggen van de grote meren in Noord Holland, is feitelijk een verbrede en bedijkte ontginningssloot. Een eerste ingreep hierop was de Napoleontische aanleg van de Bloemendaler Gouw vanaf Polder IJdoorn en bedoeld te lopen naar Marken, als zeekanaal om de ondiepte Pampus heen. Men kreeg dit kanaal niet op diepte door het drassige land en heeft het werk halverwege opgegeven.
De tweede ingreep was het Noord-Hollands Kanaal, dat vrijwel de ontginningsstructuur bleef volgen. Na de drooglegging van de Haarlemmermeer (1852) was de meest gewaagde onderneming de aanleg van het Noordzeekanaal (1976), die door de beschermende duinenrij ging. Hierbij werden het IJ en de Wijkermeer tevens drooggelegd. De verkleining van de Noord-Hollandse boezem was slechts mogelijk door weersonafhankelijke gemalen op stoom, diesel en elektriciteit.
Daarna kwam de spoorlijn Amsterdam-Den Helder (1865-1889). Deze gaat zichtbaar bijna diagonaal door de Noord-Hollandse slotenstructuur, zoals die ook dwars door de vervoerstraditie te water ging.
Thans wordt zeer beperkt rekening gehouden met de natuurlijke gesteldheid. Men plempt ergens zand neer en legt een snelweg, b.v. A9 of een woonwijk, b.v. Broekpolder, aan, men zet een elektrische pomp aan om het overtollige water weg te pompen. Een Slowaakse vriend was verbijsterd over de wirwar van oude sluisjes en moderne tunneltjes met een elektrische pomp, viaducten en verkeerspleinen in dit drasse land. Burgers houden geen rekening meer met natte voeten. Maar toch, een enkele keer merkt men dat de natuur zich niet geheel laat beteugelen. In Oost-Duitsland hield men de mensen eronder met de VoPo, hier houdt men ze erboven door de VOPO pomp.

Bomen in het landschap
Wat is nog meer wezenlijk in de kaarten veranderd: de bomen. De van oorsprong voedselarme duinen en de overheersende zilte zeewind verhinderen een uitbundige vegetatie van de zeereep. Bossen, die reeds vroeg in de historie door de adel als jachtgebied werden aangelegd, waren op de geestgrondende oude duinen. Het laagland was kaal, het grondwater was te hoog en de grond te slap voor grote bomen. Dijken moesten boomloos blijven om sterk te zijn, terwijl de trekvaarten geen hindernissen aan hun oevers konden hebben. Op de oude kaarten zie je soms in het vlakke land bomen ingetekend als markeringen. Boerenhoeven hadden om hun erf bomen als windvangers, brandstof en geriefshout voor bezemstelen, manden, korven e.d.. Soms hadden ze zelfs enkele vruchtbomen. Vrijwel iedere boom had een functie in die micro-economie. De huidige boeren hebben geen tijd meer om een eigen bezemsteel te maken, thans is zo’n hof een luxe, voorbehouden aan kleiboeren of gefortuneerde “buitenwoners”. Woonplaatsen hadden omboomde lanen en pleinen om het stof van de weg vast te houden en als zomerrecreatie. Dat was het wel zo een beetje.
Nu zie je overal bomen, in tuinen, parken en langs wegen en soms zelfs onverschrokken een heel bos in een goed bemalen polder, nieuwe natuur!

Besluit
Als je een tochtje maakt, bestudeer de kaart vooraf niet alleen voor de route, maar ook voor het te verwachten landschap. Kijk eens of de werkelijkheid aansluit bij je verwachtingen!
Ervaring maakt je voorspelling steeds beter. Kronkelt het water: een oude rivier met hoogteverschil, is het bochtig: een laaglandstroom of boezemwater, is het een rechte lijn: een afwaterings- of trekvaart? Herken ik de contouren van land uit de symbolen van de kaart? Waar volgde men het land (polders), waar de ratio (droogmakerijen). Maak eens een twee- of liever driehoekspeiling. Op de ANWB waterkaarten staan vaak bepaalde herkenningspunten. Vaak staan er nog eeuwenoude markeringen in het land.
Bij vele tochtjes kun je je dan eeuwen terug wanen