Vaaromgeving, een beetje couleur locale.

Toen met het ontstaan van de hoge Jonge Duinen en ten gevolge van menselijk ingrijpen de Noordzee-kust gesloten raakte, moest de afwatering steeds meer op de oprukkende Zuiderzee i.c. het Marsdiep geschieden. De strijd tegen het water als res publica blijkt uit de Westfriese omringdijk, waarvan de aanleg reeds omstreeks 1200 gestart werd. Toen het land nog boven de zeespiegel lag, kon afgewaterd worden via natuurlijke stromen, later via enkelvoudige spuien tijdens eb naar de Zuiderzee. De waterbeheersing d.m.v. dammen en spuien in die stromen deed de diverse dam-steden als Edam. Volendam, Uitdam en Amsterdam ontstaan, daar waar goederen van het ene vaarwater naar het andere vaarwater moest worden overgeladen. Dat Amsterdam als handelsstad de andere Waterlandse plaatsen overvleugelde, kwam vooral voort uit het grafelijk privilege van 1323 tot te heffen op al het Hamburgs bier, dat naar Holland werd geëxporteerd. Niet de handel op Indië, maar op de Oostzee, de "moedernegotie", is vele eeuwen de ruggegraat van het commerciële succes van Amsterdam geweest.

Om het land beter begaanbaar en geschikt voor landbouw te maken, werd het ontwaterd met greppels vanuit de op de verhogingen in het landschap gelegen wooncentra (vaak nog terug te zien aan de slotenstructuur). Die ontwatering had inklinking en oxidatie van het veen tengevolge, waardoor het land niet meer geschikt was voor landbouw. Veeteelt en vooral schapenteelt -in het vaak nog zilte weiland- waren de middelen van bestaan.

Met het indringen van de Zuiderzee in het Noordhollandse land neemt het belang van de visserij toe, maar ook het gevaar voor de bewoners. Na de door de monniken gevoerde strijd tegen het oprukkend water starten enkele Noordholandse edelen al in de 15e eeuw met kleine inpolderingen bij Bergen, die mogelijk zijn geworden door het gebruik van de verstelbare paltrok windmolen met krukas-overbrenging (zie o.a. de houtzaagmolen Cornelis Cornelszoon uit Uitgeest) als gemaal i.p.v. de handgedreven tongemalen, tredmolens en tjaskerachtige watermolentjes. Tot in de late middeleeuwen heeft de strijd om het water tussen boeren en vissers, tussen vlees en vis, geduurd om plaats te maken voor een strijd tussen ingelanden van de diverse waterschappen, wie afwaterde op welk water.

Door de houtzaag-, plet- en pelmolen ontwikkelde het Zaanse land zich tot eerste industriegebied in de wereld, de motor van de Amsterdamse handelsvaart.
Met het voortschrijden van de droogleggingen als een Noordhollands bevolkingsbreed particulier investeringproject kreeg het schiereiland van Noord Holland het huidige aanzicht met als laatste grote ingreep de droogleggingen t.b.v. de aanleg van het Noordzeekanaal.
Welke rol timmerman, molenbouwer, bouwkundige en visionair Jan Adriaansz "genoemd Leeghwater" (1575) uit De Rijp in de droogleggingen werkelijk heeft gespeeld, is niet echt bekend.

Het Noorder kwartier moge dan grotendeels door mensenhand gevormd zijn, toch bleven er sporen van het oude land, zoals het geulenlandschap bij Limmen, Uitgeest en Krommenie, het sompige land van het Westzaner en Guisveld, het Schermereiland, de Eilandspolder en de diverse kronkelige weteringen en ringsloten. Erfgoed, waarmee 's lands bestuurderen niet goed weten hoe ermee om te gaan; park, wasteland of wetland of woonwijk of watervilla's?
Wij, kanoërs van Kano Vereniging Uitgeest, en onze gewaardeerde gasten genieten nog dagelijks van dit land!

Vlakwatercommissie Kanovereniging Uitgeest